Verbaasd zag men een menigte van visschen spart'len en zilverglanzend door het groene water dart'len alsof bijzond're vreugd hen aangegrepen had. Nu ving met luid gejuich de grote vischvangst aan, met wat maar dienen kon, met emmers, manden, netten, ging met aan het scheppen of, meer kundig vallen zetten. Er was beroep noch stand; met rijken buit belaan zag men de burgerij naar hunne huizen gaan.
tekst op gebrandschilderd raam in de Petruskerk, Woerden