Als er één beroepsgroep is die weet hoe het is om thuis te werken, is het die van de schrijvers. We vroegen een aantal van hen in het voetspoor te treden van Xavier de Maistre, die in 1794 zijn beroemde Reis door mijn kamer schreef. Vandaag: Lieke Marsman.

Het is de vijfde dag van mijn corona-quarantaine waarop ik dit stuk schrijf. Maar het is ook de 725ste dag sinds ik weet dat ik kanker heb. Al twee jaar zit ik af en aan thuis, in wisselende mate van paniek, met allerlei scenario’s die voortdurend door mijn hoofd schieten en me uit mijn slaap of van het werk houden. Gek genoeg voelt het nu de wereld om me heen remmend en piepend tot stilstand komt daarom alsof er iets wordt rechtgezet… alsof de buitenwereld een inhaalslag maakt en eindelijk in lijn komt met mijn binnenwereld.

Begrijp me niet verkeerd: ik had liever gezien dat het niet zo was, en het is niet zo dat ik denk dat de wereld alleen maar om mij draait. Maar het een en ander zorgt wel voor een opleving in mijn energieniveau. Eerder had ik het bijvoorbeeld vaak over de eenzaamheid van de zieke – en die eenzaamheid is nu voorbij! Gedeelde eenzaamheid is geen eenzaamheid. Iederéén blijft opeens dagen achtereen thuis en de Volkskrant maakt extra dikke boekenbijlagen. Hier wacht ik al twee jaar op! Crisis is mijn tweede natuur geworden. Laat me daarom van achter mijn morsige koffietafel in het kort met u op de komende maanden vooruitblikken.

Mocht deze vreemde periode van thuiswerken langer dan een paar weken duren, en daar ziet het wel naar uit, dan komt er een moment waarop alle huiselijke klusjes gedaan zijn. Die verrekte lekkende kraan is gerepareerd, het mos is van het balkon gekrabd en de kinderen kunnen geen kleurplaat meer zien. Dan zal, dit is onvermijdelijk, de tijd van geestelijke klusjes zich aandienen. Dit moment komt in mijn ervaring eerder dan je denkt. Mijn vriendin verzuchtte bijvoorbeeld al na anderhalve dag thuiswerken dat ze gek werd en geen flauw idee meer had welke dag van de week het was. Het kan dan ook niet lang meer duren of ze zal me vragen waar ik het verzamelde werk van Spinoza bewaar. Zelf richtte ik me toen ik ziek werd in eerste instantie op het aanbod van de streamingdiensten, daarna schafte ik een hometrainer aan, daarna ontwikkelde ik een passie voor Yahtzee.

Mijmeren

Maar wat me de afgelopen jaren écht van de straat heeft gehouden, was het eindeloos mijmeren over de zin van het leven, over de zin van de dood en over of we ons nu wel of niet in een multiversum bevinden. Wat betekent dit alles?

In een van mijn lievelingsgedichten (ooit) schrijft de Amerikaanse dichter Kenneth Koch het volgende:

Het heeft zin een raam te openen: je laat wat lucht binnen; en zin om een pijl te schilderen: mensen zullen weten waar iets is. Maar wat is de zin van deze individuele handelingen als ze alle tezamen geen zin hebben?

Het gedicht draagt de titel ‘Het probleem van de angst’ en u zult na het lezen van deze regels ongetwijfeld begrijpen waarom. De dichter laat de meest alledaagse handelingen een existentieel vraagstuk oproepen dat op zijn beurt weer iets nieuws oproept: angst. Op deze manier kan zelfs de banaalste gebeurtenis een voedingsbodem zijn waarop de meest angstaanjagende vragen ontspruiten. En wat dan?

Een teken van onszelf aan onszelf

Sommige mensen gaan voor een antwoord op zulke vragen te rade bij God. Of dit zo is, hangt af van de ernst en de diepte van de emoties die u door de vragen ervaart. Maar het zou me niet verbazen als u ergens de komende maanden religieuze gevoelens ontwikkelt. Dit kan schrikken zijn, maar het is heel normaal. Velen zijn u voorgegaan. Ook ik heb op mijn duisterste momenten een spirituele kant van mijzelf ontdekt waarvan ik niet wist dat ik hem in me had. Na wederom een slechte scanuitslag kan ik zomaar middernachtelijk liggen bidden en smeken of God me misschien een teken van leven kan geven. Om meteen daarna te schrikken: wat als mijn ziekte zelf het teken is? Of wat als God allang een teken gegeven heeft, maar ik het teken niet heb herkend?

Het idee dat ziekte een teken van God is, is ook de afgelopen weken op meerdere plekken voorbijgekomen. In de Bijbel zijn plagen een communicatiemiddel waarop God zich graag beroept. Toch is het idee van deze corona-uitbraak als een teken van God geen bruikbaar uitgangspunt. Het coronavirus hoeft helemaal geen teken van God te zijn om ons iets te kunnen vertellen. En ook als het dat wel is, lijkt het me zinvoller dat gegeven te negeren. Juist als we deze situatie niet zien als teken van God maar als een teken van onszelf aan onszelf, kunnen we er iets van leren: dit is hoe we in een crisissituatie zijn beland. Dit is hoe we met de crisissituatie omgaan. Dit is waarom we nooit zo veel op de gezondheidszorg hadden mogen bezuinigen. Het kan zijn dat God ons deze dingen wil vertellen, maar het is makkelijker om deze conclusies uit de situatie zelf te trekken dan om de taal van God, die veel meer ruimte voor interpretatie laat, hiervoor te proberen te ontcijferen.

Kenneth Koch dicht dat een andere reden waarom we in rampzalige tijden op zoek gaan naar God of het goddelijke is dat we goden niet in staat achten angst te ervaren.

Hoe kun je een god hebben met angst? Denk aan Jehova in paniek. ‘Wat moet ik doen?’ En denk op dezelfde wijze aan Jezus en denk aan de Heilige Geest.

Ook is er niets bekend over angst die de hemel van de oude Grieken overvalt. Apollo lag niet hulpeloos te lijden terwijl zijn pijlen uit eigen beweging de zon uit spatten, duizenden dodend. Noch rende de mediterrane Jupiter wanhopig en met gescheurde toga naar Scamander toe, een trillende hand in zijn haar.

Men heeft Zoroaster nooit horen stotteren, eigenlijk zijn goden misschien wel wat wij, mensen, ons voorstellen bij angstvrije wezens  de enigen in staat over ons te heersen.

Geniet van de vragen

Terug naar u, thuis, over een week of drie, als u zich in uw corona-cocon langzaam tot thuisfilosoof ontpopt. U heeft eindelijk tijd om alle boeken die u de afgelopen jaren heeft gekocht te lezen en die boeken verrijken uw geest dusdanig dat u met vragen van reusachtige proporties zit. Ik heb, dat moge uit bovenstaande gebleken zijn, geen antwoord op uw vragen. Het enige wat ik kan zeggen is: probeer van het hebben van de vragen te genieten. Ooit, als deze pandemie voorbij is (en u en uw naasten zijn zelf niet al te ziek geworden), gaat u het eindeloos door de kamer ijsberen, het loopje van de koelkast naar de keukentafel, missen.

Zelf verlang ik op dagen dat ik probeer om zo goed als dat gaat wat te werken, wanneer ik merk dat mijn monnikskapspieren als vanouds het vertrouwde plakkaat onder aan mijn nek vormen, soms hevig terug naar mijn tijd in het ziekenhuis. Niet omdat het een fijne tijd was (om eerlijk te zijn, de keren dat ik in het ziekenhuis was opgenomen deden me nog het meest denken aan de nog mindere keren dat ik een muziekfestival bezocht: kan ik zo meteen poepen? Waarom is dit eten niet te vreten? Waarom maken jullie me om 6 uur ’s ochtends wakker? En het wachten, het eindeloze wachten dat voorafgaat aan alles wat er gebeurt…), maar om een andere reden.

Daglicht

Eerst dacht ik dat het kwam doordat ik de goede zorgen van de broeders en zusters miste. Maar hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik tot de conclusie kom dat het te maken heeft met het daglicht en met de tijd. Eenzelfde melancholisch terugverlangen voel ik namelijk ook als ik denk aan de keren dat ik als kind griep had, met hoge koorts in het bed van mijn ouders Disney-films keek, een glaasje appelsap binnen handbereik. Wat deze situaties met elkaar gemeen hebben, is dat je de wereld ervaart midden op de dag, op de doordeweekse dag om precies te zijn, op momenten waarop je normaal gesproken een drukke vergadering voorzit, je over een proefwerk buigt of je plek in een overvolle coupé probeert te vinden. In de verte klinkt een brommer. Twee huizen verderop verschuift iemand een zwaar meubel. In de wasmachine geeft een ronddraaiende ritssluiting het ritme aan waarop de bomen in de straat heen en weer wuiven. En dit alles vergezeld door een stand van de zon waaronder je normaal gesproken helemaal de tijd niet neemt om even om je heen te kijken, niet op maandag.

Het is een gek licht, dit licht in onze woonkamers. Het is onmogelijk te zeggen of het eindtijdlicht is of een ordinair zonnetje. Voorlopig is het allebei. U zult er de komende maanden nog vaak voor naar het raam lopen, daar blijven staan en naar buiten kijken. Het raam openzetten zal zin hebben, je laat wat lucht binnen, en hoewel alles wat we doen tezamen geen enkele zin heeft, maar ook en juist daarom, zult u misschien toch eens omhoogkijken, naar de lucht, en hardop de zin uitspreken: God, geef ons een teken dat we kunnen herkennen als teken.

Lieke Marsman

Lieke Marsman is filosoof, schrijver en dichter. Ze werd in 1990 geboren in Zaltbommel. In 2010 verscheen haar debuutbundel Wat ik mijzelf graag voorhoud. In 2011 won ze de C. Buddingh’-prijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de debuutprijs Het Liegend Konijn. Haar romandebuut was Het tegenovergestelde van een mens (2017) en in 2018 verscheen De volgende scan duurt vijf minuten, over haar ziekte.

Als iemand weet hoe het is om de hele dag thuis te zitten, zijn het schrijvers wel. In deze serie nemen ze ons mee op hun (geestelijke) omzwervingen door de werkkamer, zoals Xavier de Maistre dat deed 1794 in zijn Reis door mijn kamer. Nicolien Mizee ging Lieke Marsman voor (‘U ziet het, er staat een bed in mijn kamer, een tafel en een kast’), boekenchef Wilma de Rek gaf uitleg: ‘Ons lijf kunnen ze opsluiten, onze geest niet.’

Deel dit bericht